De archeologen die erbij betrokken zijn reageerden al wekenlang euforisch maar hielden de lippen stijf op elkaar. Recent is de reden van al dat enthousiasme duidelijk geworden. Tijdens het archeologisch onderzoek voor de bouw van een ondergrondse parking aan de Via Giulia, vlakbij Ponte Mazzini, is het stabulum van keizer Augustus ontdekt. Het gaat om de paardenstallen die verbonden waren aan het Circus Maximus en onder keizerlijk gezag stonden. Ze werden meer dan waarschijnlijk gebouwd door Agrippa, de goede vriend van keizer Augustus. Archeologen omschrijven de vondst als één van de belangrijkste van de jongste jaren. Het complex is zo goed bewaard en levert zoveel details dat bepaalde theorieën over de organisatie van de facties van de wagenmenners moeten gewijzigd worden. Er wacht de archeologen nog heel wat studiewerk.
Na afloop van de wagenrennen in het Circus Maximus (zie de beelden helemaal onderaan dit bericht) trokken de diverse teams met hun paarden naar deze luxueuze stoeterij waar de dieren verzorgd werden. Archeologen wisten dat dit complex zich in de buurt moest bevinden maar hadden het helemaal niet verwacht onder het toekomstige parkeerterrein. Ondanks het feit dat zowat vijfhonderd jaar geleden de uitgravingen voor de fundamenten van de huidige gebouwen langs de Via Giulia de vindplaats gedeeltelijk hebben beschadigd, blijkt de site nog verrassend goed bewaard. Archeologen omschrijven de vondst als zeer belangrijk. De ontdekking is wel een lelijke streep door de rekening van de projectontwikkelaar die hier een ondergrondse parkeergarage voor 366 auto’s wilde inplanten.
Het parkingproject kan waarschijnlijk nog wel worden uitgevoerd maar zal uiteraard wel vertraging oplopen. Ook zullen de plannen moeten worden aangepast. Van de 366 voorziene parkeerplaatsen waren er 336 bestemd voor de buurtbewoners. De overige 30 moesten dienen voor passanten en bezoekers. Wellicht zullen een aantal voorziene parkeerplaatsen moeten sneuvelen. Het is nog helemaal niet duidelijk of en hoe het stabulum wordt geïntegreerd in de nieuwbouw. De aannemer en de projectontwikkelaar moeten een voorstel doen waarin de archeologen zich kunnen vinden.
Het heeft overigens even geduurd vooraleer duidelijk werd wat er precies was opgegraven. De ontdekking is in ieder geval van groot belang voor de topografie van het Oude Rome. De archeologen proberen nu uit te zoeken hoe de structuur van het complex precies in elkaar stak en hoe de paarden van de diverse teams van elkaar werden gescheiden. Er waren telkens vier teams die elk een politieke stroming vertegenwoordigden: de Witten (Albata), de Roden (Russata), de Blauwen (Veneta) en de Groenen (Prasina). Op feestdagen werden races gehouden, vanaf de tijd van keizer Nero zelfs 24 per dag. In uitzonderlijke gevallen werden er tot 100 races per dag gereden. Meestal gebeurde dat met een vierspan, maar soms reden de menners ook met acht paarden. De wagens vertrokken vanuit de carceres waar twaalf startkooien naast elkaar stonden. De magistraat die belast was met de organisatie van de spelen gaf het startsein waarna de hekken van de kooien opengingen. In een vijf kilometer lange race moesten de wagens zeven keer om de spina heen rijden.
Bij de metea, de keerpalen op de hoeken van de spina, was het de bedoeling om de bocht zo kort mogelijk te nemen om zo de tegenstanders te hinderen. Het gebeurde regelmatig dat de wagens kantelden en de menners eruit geslingend werden. Pijnlijk, en soms zelfs dodelijk want het kon ook gebeuren dat de wagenmenners werden meegesleurd door de paarden en zo een akelige dood tegemoet raasden. Op de spina stonden aan beide uiteinden zeven eieren en zeven met water gevulde bronzen dolfijnen opgesteld, waarmee de verreden rondes werden afgeteld. Bij iedere doorkomst werd een ei verwijderd en een dolfijn omgekiept zodat het water in een marmeren bak terecht kwam. Het exemplaar dat je hierboven op foto ziet is nagebouwd voor de beroemde wagenren in de film Ben Hur en bevindt zich momenteel in de archieven van Cinecittà-filmstudio’s in Rome. De menners waren meestal slaven of vrijgelatenen met een lage sociale status. Zij konden door de grote populariteit van de wagenrennen echter veel roem vergaren. Vrouwen werden verliefd op hen en dichters droegen hun werk aan hen op. Het waren samen met de beroepsgladiatoren de sporthelden uit de oudheid.
Maar nu even terug naar de ontdekking in de Via Giulia. De structuur van het complex bestaat uit een reeks parallelle wanden, verbonden door gangen. Het geheel is opgetrokken uit travertijn. In sommige delen bevinden zich nog de stenen palen waaraan de dieren werden vastgemaakt. De stijl en methode van bouwen wijzen duidelijk in de richting van Agrippa, de goede vriend van keizer Augustus die in zijn latere politieke carrière verantwoordelijk was voor veel publieke gebouwen, herstelwerkzaamheden en verbeteringen, waaronder de renovatie en bouw van aquaducten, thermen en tuinen.
In 33 v. Chr. werd Agrippa verkozen als een van de aediles plebis (verantwoordelijk voor de gebouwen en festivals) en zorgde hij ervoor dat de straten werden hersteld en de riolen werden schoongemaakt, terwijl hij volop publieke spektakels organiseerde. Uit die tijd dateert vermoedelijk ook het nu ontdekte complex. In de richting van de Tiberoever, op weg naar Circus Maximus, werd ook een stuk verharde weg ontdekt, die vertrekt vanuit de mooiste kamers van het complex. De vloeren zijn bedekt met zwart-witte mozaïeken. Te oordelen naar de structurele veranderingen en aanpassingen is het gebouw tot in de 4de eeuw in gebruik gebleven.
Topografisch is de ontdekking van zeer groot belang. Archeologen zullen veel meer te weten komen over het ontwerp en de onderdelen van dergelijke gebouwen. Het meeste van wat hierover tot nog toe gekend was is afkomstig van een paar voorbeelden in kleinere militaire kampen of zeldzame afbeeldingen in mozaïeken zoals die in Noord-Afrika werden ontdekt. De ontdekking zou bepaalde theorieën over de organisatie van de facties van de wagenmenners kunnen wijzigen. Er wacht de archeologen nog heel wat studiewerk.
De parking past in het stadsvernieuwingsproject dat de lelijke lege plek aan de Via Giulia vlakbij Piazza della Moretta moet opvullen. Begin vorige eeuw werden hier een aantal huizen gesloopt om een kruispunt en een paar extra straten aan te leggen. De bouwkundige wonde in de Via Giulia die door het verdwijnen van enkele huizen ontstond is nooit echt geheeld, al hebben de bewoners en toeristen van vandaag deze omgeving nooit anders gekend. Het is pas wanneer je er op let dat je beseft dat hier ooit iets fundamenteels is weggehaald.
Het plan voor de heraanleg van de omgeving ontstond in 1909. Het was de bedoeling een nieuwe en vlottere verbinding te creëren tussen de Chiesa Nuova en de Regina Coeli-gevangenis aan de overzijde van de Tiber. Daarvoor moesten ondermeer Palazzo Ruggia en Casa Incoronati wijken. De werken werden wel aangevat maar door allerlei omstandigheden is de geplande weg echter nooit volledig afgebouwd. Daardoor blijft de Via Giulia tot vandaag zitten met een kruispunt dat hoegenaamd geen doel heeft en een pleintje dat eigenlijk geen plein is maar een nutteloze leegte.
De Via Giulia, aangelegd door paus Julius II in 1508, is verbonden met alle grote namen uit de renaissance, gaande van Michelangelo tot Borromini, van da Sangallo tot Maderno. Het huidige stadsbestuur wil de oude structuur terug in ere herstellen maar dat kan natuurlijk niet zomaar. Het project vormt een enorme uitdaging voor de architecten die hun door de hedendaagse tijd gekleurde visie moeten verzoenen met de middeleeuwse structuur van de straat. Zeven internationaal vermaarde architecten dienen een ontwerp in om de leegte tussen Lungotevere dei Tebaldi en de Largo della Moretta op te vullen.
Het gaat om Paolo Portoghesi, Aldo Aymonino, David Chipperfield, Stefano Cordeschi, Roger Diener, Franco Purini en Giuseppe Rebecchini. De zeven architecten bekeken de oorspronkelijke tekeningen uit de middeleeuwen maar uit de ontwerpen blijkt dat er hoe dan ook een hedendaags stukje architectuur aan de omgeving zal worden toegevoegd. Een voorstel dat vrij gunstig werd onthaald voorziet een soort stedelijke wandelgalerij, waarbij de voorkant zou fungeren als een soort openluchtmuseum met archeologische vondsten die destijds in deze buurt gevonden zijn. Daarmee is nooit iets noemenswaardig gebeurd. Ze zijn opgeslagen en verspreid in de kelders van diverse magazijnen, waaronder het voormalige slachthuis in Testaccio en de Centrale Montemartini.
Het stadsbestuur moet de knoop echter nog altijd doorhakken. In afwachting werd alvast begonnen met het archeologisch onderzoek voor de parking die het stadsbestuur absoluut wilde realiseren, hoewel het merendeel van de bewoners een dergelijke ingreep op deze plaats niet zien zitten, evenmin als de studenten van de aangrenzende Virgilio-school. Ook een paar architecten hebben in hun voorstel geen parkeergarage voorzien. Een aantal buurtbewoners zullen ongetwijfeld in hun vuistje lachen nu de archeologen het terrein voorlopig hebben ingepalmd en de bouw van de parkeergarage op de lange baan wordt geschoven.
Het is zonde om tijdens een bezoek aan Rome eens niet door de Via Giulia te wandelen. Behalve tal van fraaie gebouwen vind je er ook heel wat interessante kerken terug. De Via Giulia loopt ongeveer parallel met de Tiber en werd van 1503 tot 1508 aangelegd door Donato Bramante op bevel van paus Julius II die de straat ook zijn naam gaf. Op de westelijke oever van de Tiber bevonden zich aanvankelijk slechts twee stadswijken, de Città Leonina, met de Sint-Pieter, het Vaticaan en de Borghi, en Trastevere, gelegen aan de voet van de Monte Gianicolo. Het was ook onder Julius II dat in een rechte lijn, op enige afstand van de Tiber, de Lungara werd aangelegd, dit als antwoord op de Via Giulia aan de andere zijde van de rivier. Aan de Via Giulia ontstonden diverse renaissancepaleizen; de bebouwing van de Lungara zou zich voornamelijk beperken tot kleinere kloosters en burgerhuizen. Beide straten moesten vooral de toenmalige volksbuurten saneren: de Via Giulia doorsneed de Regola, een wirwar van smalle pittoreske straatjes, waarvan er nog heel wat bestaan.
De wijkbewoners van de Via Giulia vierden in 2008 het 500-jarig jubileum van hun straat. Maar vijfhonderd jaar betekent in Rome eigenlijk niet zoveel. Vergeleken met sommige andere straten werd de Via Giulia zelfs vrij laat aangelegd. De bedoeling was, tegelijk met de sanering van de wijk, vooral ook een snelle toegangsweg naar het Vaticaan te verwezenlijken voor de vele duizenden pelgrims die naar Rome kwamen. Voordat de straat werd aangelegd, konden de bedevaarders het Vaticaan vanuit deze richting enkel bereiken door de smalle Via del Pellegrino en de Via dei Banchi Vecchi. Deze steegjes, die tot vandaag hun charme hebben behouden, waren destijds berucht wegens de grote aantallen zakkenrollers die in deze steegjes hun werkgebied hadden.
Oorspronkelijk was het de bedoeling dat de architect Bramante ook alle gebouwen in de straat zou ontwerpen, dit om een architectonisch geheel te creëren. Dat plan ging echter niet door. Toen de straat voltooid was, waren de huizen er nog goedkoop en veel artiesten, waaronder de schilder Rafaël en architect da Sangallo, kwamen in de Via Giulia wonen. De gebouwen aan de westzijde hadden toen nog tuinen die tot vlak aan de Tiber reikten. De Via Giulia werd al gauw één van de meest exclusieve straten van Rome. Dat is vandaag nog zo. Het is één van de weinige (bijna) autovrije straten van Rome, waar je prettige winkeltjes, kunstgalerijen, antiekzaken maar ook diverse regeringskantoren aantreft. Ook de anti-maffiabrigade van Rome is gehuisvest in deze straat, net als het Museo Criminologico, dat je kan bezoeken in Palazzo del Gonfalone.
Zowat de hele straat is zoals gezegd het bezichtigen meer dan waard, maar neem vooral een kijkje in de kerk van San Giovanni dei Fiorentini (ter hoogte van het Piazza dell’Oro). Hoewel minder rijkelijk dan de Santa Maria sopra Minerva (de oorspronkelijke Florentijnse kerk) aan de gelijknamige Piazza, zijn vrijwel alle grote kunstenaars uit de Renaissance en de barok op een of andere manier bij deze kerk betrokken. De gevel is van Allessandro Galilei. Jacopo Sansovino tekende voor het eigenlijke ontwerp van de kerk. Na zijn dood werd het werk voorgezet door Antonio da Sangallo de Jongere. Giacomo della Porta voltooide het gebouw en Carlo Maderno bouwde de koepel. Het koor en het roodmarmeren altaar is van Pietro da Cortona en Borromini, verfraaid met beelden van Bernini. Zowel Maderno als Borromini liggen overigens in deze kerk begraven. Filippo Neri, de patroonheilige van Rome, was de eerste priester van deze kerk. Wie de moeite doet hier wat rond te kijken zal nog veel meer grote namen aantreffen. Opmerkelijk is dat in deze kerk dieren binnen mogen. Vroeger waren er hier weleens dierenwijdingen, vandaag beperkt dit middeleeuwse gebruik zich tot een schaarse bezoeker die eens een hond of een kat meeneemt in de kerk.
Ook zeker de moeite van het bekijken waard in de Via Giulia: het Palazzetto (op nummer 79), het Palazzo Sacchetti (nr. 66), de Chiesa di San Biagio della Pagnotta (ter hoogte van de Via dei Bresciani), het Palazzo Ricci (Via Giulia 146), het Palazzo Cisterna (nr. 163), de kerk van Santa Caterina da Siena (ter hoogte van de Via dell’Armata), het Palazzo Falconieri (Via Giulia 1), de Fontana del Mascherone (ter hoogte van de Via del Mascherone) en de Arco dei Farnesi uit 1603 aan de achterzijde van het Palazzo Farnese. Het was ooit de bedoeling om dit gebouw te verbinden met de Villa Farnese aan de overzijde van de Tiber, maar meer dan de boog over de Via Giulia is er nooit gebouwd. De Farneseboog heeft geen enkele functie, maar geeft, ook al omwille van de mooie plantengroei, de straat toch een fijn extraatje.
Een beetje luguber buitenbeentje is de Chiesa di Santa Maria dell’Orazione e Morte (op nr. 261). Op de deuren en ramen zijn gevleugelde schedels te zien. Naast de deur bevindt zich een geraamte met een zandloper en een skelet dat naar de tekst ‘Hodie mihi, cras tibi’ wijst (heden ik, morgen gij). In de 16de en 17de eeuw werden hier meer dan 8.500 niet geïdentificeerde doden begraven (meestal drenkelingen of onbekende slachtoffers van moordende overvallen). Die ongelukkigen kregen hier toch nog een christelijke begrafenis. Maar in de crypte van de kerk werden later met hun botten bizarre versieringen en patronen gevormd, zoals kruisbeelden van schedels, lampen van wervels, enz. Het is een beetje vergelijkbaar met de ruimte in de Kapucijnenkerk Santa Maria della Concezione aan de Via Veneto, al is die laatste veel kleiner. De crypte van de Santa Maria dell’Orazione e Morte is niet vrij toegankelijk. Je kan ze wel bezoeken mits aanvraag bij de priester en enkel na de kerkelijke dienst.